FTTO-nascholing over 'Controversen in de medicamenteuze therapie'
Geplaatst op vrijdag 28 oktober 2011 (archief)
Op 13 oktober j.l. werd er in het auditorium van het Ziekenhuis Gelderse Vallei (ZGV) in het kader van het FTTO (Farmaco Therapeutisch Transmuraal Overleg) een geaccrediteerde nascholingsavond gehouden met als thema “Controversen in de medicamenteuze therapie”.
De nascholing werd goed bezocht door circa 70 personen en was bedoeld voor huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde, medische specialisten en (ziekenhuis)apothekers. Vanuit alle disciplines waren voldoende vertegenwoordigers aanwezig om aan de hand van 5 stellingen op een levendige wijze over de stellingen te discussiëren.
Gert van de Meer, ziekenhuisapotheker, leidde de discussies.
De stellingen werden door een specialist, huisarts of apotheker uit de regio Gelderse Vallei ingeleid. Zowel een voorstander als een tegenstander van de stelling voerde het woord. Aan de hand van literatuurgegevens werden de standpunten op een zeer deskundige wijze weergegeven.
In onderstaand overzicht wordt kort en globaal ingegaan op de presentaties. In dit overzicht is niet gestreefd naar volledigheid, maar het geeft slechts een impressie.
De eerste stelling:
De subcutaan inspuitbare middelen (denosumab, teriparatide), die de fractuurincidentie bij osteoporose in gelijke mate verlagen als de bisfosfonaten, zullen de therapietrouw verbeteren bij de grote groep ouderen die de bisfosfonaten slecht verdragen.
Harm Geers, apotheker uit Bennekom, zette op een heldere manier uiteen dat er voor het behalen van therapietrouw meerdere factoren van belang zijn dan alleen de doseringsfrequentie, waarmee hij aangaf dat hij het niet met de stelling eens was.
Ellen Dutmer, reumatoloog uit het Ziekenhuis Gelderse Vallei, pleitte juist voor het toepassen van de subcutaan inspuitbare middelen. Het zal de therapietrouw verhogen en daarmee meer fracturen voorkomen, hetgeen meer gezondheidswinst betekent.
De aanwezigen stemden over de stelling. Er was een geringe meerderheid tegen de stelling, omdat er bij de subcutaan inspuitbare middelen nog onzekerheden zijn en de prijs hoog is. Van het twee maal jaarlijks in te spuiten denosumab wordt – bij een goede praktijkorganisatie – overigens meer therapietrouw verwacht dan van het dagelijks te spuiten teriparatide.
De tweede stelling
Er zijn geen echte verschillen in incidentie en aard van bijwerkingen tussen selectieve (celecoxib), preferentiële (meloxicam, nabumeton) en niet-selectieve NSAID’s (diclofenac, naproxen, etc.) was de tweede stelling.
Een onderwerp waar veel literatuur over beschikbaar is, met nogal wat controversiële uitkomsten.
Liesbeth van Ree, apotheker in Ede, maakte aan de hand van haar presentatie duidelijk dat de verschillen niet groot zijn. Mede gezien de prijs gaf ze de voorkeur aan de niet-selectieve NSAID’s. Maarten Rood, reumatoloog in het ZGV, had de overtuiging dat de selectieve middelen minder gastro- intestinale bijwerkingen geven en de cardiovasculaire problemen niet verschilden van de niet selectieve NSAID’s.
Naar aanleiding van de discussie waren er meer aanwezigen vóór dan tegen de stelling.
Beide sprekers benadrukten de gevaren van beide groepen middelen, zeker bij ouderen en bij comorbiditeit.
De derde stelling:
Statines dienen – ongeacht de oorspronkelijke indicatie – levenslang te worden voortgezet.
Ronald Walhout, cardioloog in het ziekenhuis Gelderse Vallei, gaf aan dat er geen gegevens beschikbaar zijn over het toedienen van statines aan tachtigjarigen. Hij presenteerde het belang van statinegebruik in zijn algemeenheid. Het is moeilijk een patiënt tot zijn tachtigste te motiveren een statine te gebruiken en daarna te laten stoppen, zeker omdat de middelen goed verdragen worden en erg goedkoop zijn.
Gert van der Meer, ziekenhuisapotheker en vervanger voor specialist ouderengeneeskunde Jan Hoijtink, besprak een Deense studie waarin men uit de grote statine-onderzoeken de 80-plussers had geselecteerd. Bij deze 12.000 personen bleek noch een positief effect op de totaal cholesterol noch een positief effect op de mortaliteit waarneembaar. Hij verdedigde de stelling dat stoppen van het statine bij (langdurige) opname in het verpleeghuis aangewezen is.
Vanuit de zaal werd opgemerkt dat er wellicht onderscheid gemaakt moet worden tussen fitte tachtigers en patiënten die in een verpleeghuis opgenomen zijn, waarbij de kwaliteit van leven niet uit het oog verloren moet worden.
Geconcludeerd kan worden dat pro of contra de stelling niet eenvoudig is en dat er meer onderzoek beschikbaar zal moeten komen.
De vierde stelling:
Op het incretine-systeem aangrijpende farmaca zouden breder moeten worden voorgeschreven bij DM type II om de bekende bijwerkingen van metformine en insuline te vermijden.
Over deze stelling hielden Rik Heijligenberg, internist-endocrinoloog in het ZGV, en Erwin Klein Woolthuis, huisarts uit Ede, in één presentatie een duidelijke voordracht.
Heijligenberg ziet voor de geneesmiddelen die aangrijpen op het incretine-systeem wel degelijk een plaats bij diabetes patiënten met een BMI>35. Deze patiënten zullen met de nieuwere middelen afvallen. Indien ze insuline krijgen zal het gewicht toenemen, dit is des te demotiverender, omdat de arts juist altijd wijst op het belang van afvallen.
Wat Klein Woolthuis betreft zijn er voor het gebruik van deze middelen nog teveel onduidelijkheden over de veiligheid op de langere termijn. Hij verwijst naar andere groepen middelen antidiabetica die vanwege hun veiligheid van de markt gehaald zijn.
Een meerderheid van de aanwezigen gaf aan dat terughoudendheid bij het voorschrijven van de middelen voorlopig nog op zijn plaats is.
De vijfde stelling
Omdat 30-50% van de patiënten op dipyridamol hiermee stopt of op eigen initiatief de dagdosis verlaagt wegens bijwerkingen, heeft het toevoegen van dipyridamol aan acetylsalicylzuur/Ascal geen zin, mede gezien het zeer beperkte additionele effect op de preventie van een recidief CVA, was de laatste controverse waarover gediscussieerd werd.
Menno Kocks, huisarts in Rhenen, was duidelijk. Op grond van een artikel uit Huisarts en Wetenschap gaf hij aan dat andere maatsregelen, zoals stoppen met roken, verlaging van het cholesterol, normaliseren van de bloeddruk, meer gezondheidswinst geeft dan het gebruik van dipyridamol.
Cees Jansen, neuroloog in ZGV, pleitte voor het toedienen van dipiryridamol bij secundaire preventie na een doorgemaakte CVA op basis van de ESPRIT studie. Het optreden van bijwerkingen, zoals hoofdpijn, vond hij in de praktijk erg meevallen.
In de zaal was een meerderheid voor het standpunt van Cees Jansen om dipyridamol toe te voegen aan acetylsalicylzuur na een doorgemaakt CVA.
Goede inhoudelijke discussie
Het bestuur van het FTTO kijkt terug op een zeer geslaagde en goed bezochte nascholingsavond, waar op een goed inhoudelijk niveau met elkaar gediscussieerd is over controversen in de medicamenteuze therapie. Gezien het succes van deze avond, die vorig jaar ook gehouden is, zal het bestuur van het FTTO volgend jaar met dezelfde opzet weer een geaccrediteerde nascholingsavond organiseren.
Overig nieuws
- Netwerkbijeenkomst Wageningen (31 mei 2013)
- Fosfaatinname van dialysepatiënten (31 mei 2013)
- Zorgpad voeding en bewegen bij colorectaalkankerpatiënten (31 mei 2013)
- Amice Hilde van der Poorte (31 mei 2013)
- Komen en gaan, mei 2013 (31 mei 2013)
- Voedingsalinea in ontslagbrief (28 mei 2013)
- Digitaal huisartsenportaal (28 mei 2013)
- Signalering ondervoeding in de regio neemt toe (28 mei 2013)
- Food for Thought over Food & Farma (28 mei 2013)
- Betere voeding voor patiënten tijdens herstel en na ontslag (28 mei 2013)
Archief
Bekijk het archief van 'Nieuws verwijzers'




