Toediening sondevoeding

Sondevoeding kan worden toegediend op verschillende manieren, met verschillende toedieningstechnieken en via verschillende soorten sondes. De (voedings)verpleegkundige en diëtist adviseren hierover.

Er zijn verschillende manieren waarop sondevoeding kan worden toegediend. De indicatie, soort sondevoeding en de ligging van de sonde spelen een rol bij de keuze.

Portie- of bolustoediening

Bij sondevoeding per portie krijgt de patiënt een bepaalde hoeveelheid in 1 keer. Meestal is dit 4-6 keer per dag een portie van 200-300 ml. Deze manier komt het meeste overeen met 'gewoon eten' en geeft meer bewegingsvrijheid. Voor de toediening van de voeding wordt een spuit of een voedingspomp gebruikt.

Intermitterend gebruik

Bij intermitterend gebruik van sondevoeding wordt de voeding gedurende een aantal uren van de dag of nacht toegediend. Het is ook mogelijk 2-3 keer per dag een aantal uren sondevoeding toe te dienen. Zo ontstaan er voedingspauze(s). Met een voedingspauze in de nacht blijft het dag-nachtritme gehandhaafd. Een voedingspauze overdag geeft meer bewegingsvrijheid. Intermitterend voeden gebeurt vaak als de sondevoeding gebruikt wordt als aanvullende voeding. Bij de toediening wordt een voedingspomp gebruikt.

Continu gebruik

Bij continu gebruik wordt de sondevoeding 24 uur per dag gegeven. Dit gebeurt vaak in het ziekenhuis. Soms verdraagt een patiënt snellere inloop van sondevoeding in kortere tijd niet. Dan kan continu voeden noodzakelijk zijn om de voorgeschreven hoeveelheid sondevoeding toe te kunnen dienen. De toediening wordt met een voedingspomp geregeld.

Let op:

Als het uiteinde van de sonde in de dunne darm ligt, kan de sondevoeding niet in porties worden gegeven. Gebruik hiervoor een voedingspomp. Intermitterend voeden is dan wel mogelijk. Ook oligomere voeding wordt bij voorkeur niet per portie toegediend. Het risico op complicaties, met name diarree, is dan groter.

Een 50 ml spuit kan op de sonde worden aangesloten. De voeding kan met enige kracht worden ingespoten. Ook kan het omhulsel van de spuit als trechter worden gebruikt. Toediening per portie komt het meest overeen met ‘gewoon’ eten.

Indicaties voor toediening via spuit (onder andere)

  • onrust, waarbij de kans bestaat dat de sonde onbedoeld wordt uitgetrokken
  • voorkomen van aspiratie
  • gewone voeding kunnen aanvullen als er onvoldoende gegeten/gedronken is

Benodigdheden

  • 50 ml spuit
  • een glas lauwwarm water
  • benodigde hoeveelheid sondevoeding

Werkwijze

  • was of desinfecteer de handen
  • controleer de datum van uiterste houdbaarheid en het tijdstip waarop de fles of het pack sondevoeding is geopend
  • schud de sondevoeding voor gebruik
  • controleer of er aanwijzingen zijn dat de sonde niet meer goed ligt
  • geef alleen sondevoeding op kamertemperatuur. Schenk hiervoor de gewenste hoeveelheid sondevoeding in een schoon glas en verwarm dit zo nodig in de magnetron op een laag vermogen
  • verwijder het afsluitdopje van de sonde
  • spuit de sonde door met afgesproken hoeveelheid lauwwarm water
  • dien de voorgeschreven hoeveelheid sondevoeding met behulp van een 50 ml spuit langzaam via de sonde toe
  • spuit de sonde opnieuw door met afgesproken hoeveelheid lauwwarm water
  • sluit de sonde af met het dopje
  • spoel de spuit door met heet water
  • zet de spuit ondersteboven en leg de stamper met de spuit te drogen op een disposable handdoekje    
  • ruim het materiaal op
  • noteer bijzonderheden ten aanzien van: de toediening, eventueel toegediende medicatie en eventuele complicaties

Aandachtspunten

  • sluit een opengemaakte fles of pack af met de dop en bewaar deze in de koelkast (maximaal 24 uur)
  • dien nooit sondevoeding toe direct uit de koelkast
  • breng de sondevoeding op temperatuur (lauwwarm) op laag vermogen in de magnetron of haal de benodigde hoeveelheid sondevoeding een uur voor toediening uit de koelkast    
  • vervang de spuit elke 24 uur

Met een voedingspomp kan de toediening nauwkeurig worden geregeld. Er is een pompset nodig: een toedieningssysteem dat van de sonde, via de voedingspomp naar de fles of het pack sondevoeding gaat. Er zijn verschillende merken en soorten voedingspompen. Het facilitair bedrijf bepaalt in overleg met de patiënt welk merk en soort wordt uitgeleend.

Benodigdheden

  • 20 ml spuit
  • een glas lauwwarm water
  • sondevoeding
  • voedingspomp
  • pompset
  • infuusstandaard of rugzak
  • bij tijdelijk ontkoppelen: afsluitdopje voor de sonde en afsluitdopje voor de pompset

werkwijze

  • was of desinfecteer de handen
  • bevestig de pomp aan de infuusstandaard of in de rugzak
  • controleer de datum van uiterste houdbaarheid en schud de fles of het pack goed
  • verwijder de dop van de sondevoeding en schroef de dop van de pompset op de fles of duw de prikpen door de hiervoor bestemde opening van het pack
  • volg verder de gebruiksaanwijzing van de voedingspomp
  • stel de juiste toedieningssnelheid in
  • sluit het toedieningsysteem aan op de sonde
  • spuit de sonde door met afgesproken hoeveelheid lauwwarm water
  • zet de voedingspomp aan
  • ruim de materialen op
  • noteer bijzonderheden over de toediening

Aandachtspunten

  • verwijder nooit de aluminium folie onder de dop van het pack of de fles
  • vervang de pompset iedere 24 uur
  • de maximale aanhangtijd van een pack of plastic fles is 24 uur; sondevoeding gemaakt van poeder en sondevoeding in glazen flessen mogen maximaal 8 uur aanhangen
  • vermijd inhaalmanoeuvres om alsnog een bepaalde hoeveelheid sondevoeding in een bepaalde tijd te kunnen toedienen. Dit kan leiden tot complicaties zoals misselijkheid en diarree

Snelheid

Het instellen van de toedieningssnelheid is nodig om de sondevoeding regelmatig te laten lopen over het beoogde aantal uren van de dag. De snelheid van een voedingspomp wordt ingesteld op het aantal ml dat per uur moet worden toegediend.

Voorbeeld toediening met voedingspomp

Per 24 uur moet 1500 ml sondevoeding worden toegediend. De toedieningssnelheid is dan 1500 : 24 = 62.5 ml/uur. Dit kan worden afgerond op 65 ml/uur.


hoeveelheid voeding
toedieningssnelheid voedingspomp ml/uur
Toediening over 24 uur
500 ml
20-25

1000 ml
40-45

1500ml
60-65

2000ml
80-85

2500ml
100-105



Toediening over 12 uur
500ml
40-45

1000ml
60-65

1500ml
80-85

2000ml
100-105

2500ml
205-210

De daadwerkelijke toedieningssnelheid van een voedingspomp kan iets afwijken van de ingestelde snelheid. Dit kan betekenen dat de snelheid iets hoger of lager gezet moet worden. Controleer bij het aansluiten van een nieuwe fles of nieuw pack of de voorgeschreven hoeveelheid sondevoeding in de juiste tijd is ingelopen. Is de afwijking 10% of meer? Pas dan de toedieningssnelheid naar boven of beneden aan.