Schildklier werkt te langzaam

Bij hypothyreoïdie werkt de schildklier te langzaam. Er worden te weinig schildklierhormonen aangemaakt.

Wat is hypothyreoïdie?

In geval van hypothyreoïdie maakt de schildklier te weinig schildklierhormoon aan. Bij een tekort aan schildklierhormoon wordt de stofwisseling vertraagd. Mogelijke verschijnselen die bij hypothyreoïdie optreden: vermoeidheid, koudegevoel, traagheid in denken en handelen, haaruitval (wenkbrauwen), krakende stem, gewichtstoename, concentratiestoornissen, stemmingsstoornissen, verstopping, stijve, pijnlijke spieren en gewrichten, spierzwakte en stoornissen in de menstruatiecyclus.

Mogelijke oorzaken van een te langzaam werkende schildklier zijn:

  • ziekte van Hashimoto: een auto-immuunziekte waarbij er antistoffen worden gemaakt die de schildklier vernietigen
  • bestraling van het hoofd-halsgebied
  • gebruik van sommige medicijnen
  • een operatie waarbij de schildklier is verwijderd (thyreoïdectomie)
  • een schildklierontsteking (thyreoïditis)
  • onvoldoende jodium in de voeding, in Nederland wordt door bakkers gejodeerd zout gebruikt waardoor endemisch struma (vergroting van de schildklierhier) praktisch niet meer voorkomt
  • een aandoening aan de hypofyse of hypothalamus die de werking van de schildklier reguleert (zeldzaam)

Diagnose schildklier werkt te langzaam

Een te langzaam werkende schildklier kan worden vastgesteld met bloedonderzoek. Ook kan worden bepaald of er sprake is van antistoffen in het bloed die tegen het eigen schildklierweefsel zijn gericht (auto-antistoffen), zoals bij de ziekte van Hashimoto. De behandeling van hypothyreoïdie bestaat uit een dagelijkse dosis van een synthetisch schildklierhormoon. Soms kan het instellen van de juiste hoeveelheid synthetisch schildklierhormoon enige tijd in beslag nemen.

Behandeling van te langzame schildklier

De behandeling van een schildklier die te langzaam werkt, vindt meestal plaats in de huisartsenpraktijk. Als de behandeling in de huisartsenpraktijk onvoldoende resultaat geeft, kan de huisarts u doorverwijzen naar een internist. Nadat de behandeling is geoptimaliseerd, neemt de huisarts het meestal weer over.