Specifieke informatie

Lees hieronder meer over specifieke informatie rondom de bevalling. Deze informatie geldt niet voor iedereen.

Hoge bloeddruk en zwangerschap

Een hoge bloeddruk in de zwangerschap heet zwangerschapshypertensie. De vrouw heeft dan vóór de zwangerschap een normale bloeddruk maar in de tweede helft van de zwangerschap ontstaat hypertensie. De zwangerschapshypertensie is 3 maanden na de bevalling meestal weer verdwenen. We spreken over een chronische hypertensie als je al een hoge bloeddruk hebt voor de zwangerschap of als een hoge bloeddruk ontstaat voor 20 weken zwangerschap.

Tijdens de eerste zwangerschap is de kans op hoge bloeddruk drie keer zo hoog als bij vrouwen die al eerder zwanger zijn geweest. De kiem voor een hoge bloeddruk wordt al gelegd op het moment dat de placenta (moederkoek) wordt aangelegd. De exacte oorzaak is niet bekend.

Pre-eclampsie en HELLP-syndroom

Een hoge bloeddruk in de zwangerschap kan gepaard gaan met eiwitverlies in de urine. Dit heet pre-eclampsie, in de volksmond ook wel zwangerschapsvergiftiging genoemd. Eigenlijk is dit een rare benaming want er is niets 'vergiftigd'. Als de hoge bloeddruk gepaard gaat met bepaalde stoornissen die in het bloed waarneembaar zijn (afbraak van rode bloedcellen, laag aantal bloedplaatjes en stoornissen in de leverfunctie) spreekt men van het HELLP-syndroom. Een sterk verhoogde bloeddruk, pre-eclampsie en het HELLP-syndroom kunnen bedreigend zijn voor de gezondheid van de moeder en van het kind.

Klachten bij een hoge bloeddruk

Bij een licht verhoogde bloeddruk hoeven er geen klachten te zijn.
Bij een sterk verhoogde bloeddruk zijn veelvoorkomende klachten:

  • hoofdpijn;
  • wazig of lichtflitsen zien;
  • pijn boven in de buik of een bandgevoel boven in de buik;
  • misselijkheid en braken;
  • plotseling veel vocht vasthouden

Risico's

Hoe vroeger in de zwangerschap een hoge bloeddruk ontstaat, hoe groter de risico's voor de gezondheid van moeder en kind. Het beïnvloedt het functioneren van de placenta en kan een groeiachterstand bij de baby veroorzaken. Bij pre-eclampsie kunnen er zwangerschapsstuipen ontstaan bij de moeder (eclampsie).
Bij het HELLP-syndroom is de moeder ernstig ziek. Hoewel de meeste vormen van hoge bloeddruk in de zwangerschap gelukkig weinig gevolgen hebben, kunnen ernstige vormen van pre-eclampsie en HELLP-syndroom voor moeder en kind levensbedreigend zijn.

Onderzoek

Als een hoge bloeddruk is vastgesteld -met of zonder klachten-, wordt de urine onderzocht op de aanwezigheid van eiwit. Daarnaast wordt bloed afgenomen om onder andere te controleren of er sprake is van een verstoorde leverfunctie en verlaagd gehalte van bloedplaatjes. Ook wordt het welzijn van het ongeboren kindje onderzocht. Met een echo kan de groei worden gevolgd, de hoeveelheid vruchtwater worden onderzocht en de bloeddoorstroming van de navelstreng worden gemeten. Door een hartritme-registratie (CTG) kan de conditie van het kind worden gecontroleerd.

Behandeling

Zwangere vrouwen met een hoge bloeddruk, pre-eclampsie of HELLP-syndroom zullen worden begeleid door een gynaecoloog. Ook de bevalling vindt plaats onder leiding van de gynaecoloog in het ziekenhuis. Een hoge bloeddruk wordt met medicijnen behandeld. Afhankelijk van de ernst van de ziekte wordt de zwangere vrouw opgenomen of poliklinisch behandeld.

Opname

Bij ernstige hoge bloeddruk, pre-eclampsie en HELLP-syndroom word je opgenomen in het ziekenhuis. Zo kan de conditie van jou en je kind optimaal worden gecontroleerd en kan er snel worden ingegrepen bij mogelijke complicaties. Bij de behandeling doen we vooral aan symptoombestrijding, voor de hoge bloeddruk krijg je medicijnen, voor de pijn krijg je pijnstillers. De beste behandeling zou zijn dat je kindje wordt geboren maar dat kan alleen als de zwangerschapstermijn dat toelaat.
Bij ernstige ziekte wordt daarom gestreefd naar een bevalling, afhankelijk van de conditie van de moeder en het kind en van de zwangerschapsduur. Indien mogelijk wordt de bevalling ingeleid, maar in acute situaties wordt een keizersnede toegepast.

Bij een bevalling voor 36 weken zwangerschap en bij de geboorte van een heel licht kind wordt de baby op de couveuse-afdeling opgenomen. Wanneer het waarschijnlijk is dat de bevalling voor 32 weken zwangerschap plaatsvindt, is overplaatsing naar een ziekenhuis met een intensive care afdeling voor pasgeborenen (NICU) noodzakelijk. Daar is voor het kind de beste zorg na de geboorte aanwezig.

Een zwangerschap die gecompliceerd is door pre-eclampsie of HELLP-syndroom kan een heftige periode en ervaring zijn. Stichting HELLP voorziet in informatie en bijvoorbeeld het uitwisselen van ervaringen, ook voor na de zwangerschap, als je weer thuis bent. Kijk op www.hellp.nl 

Diabetes

Zwangerschapsdiabetes is een tijdelijke vorm van suikerziekte die ontstaat onder invloed van zwangerschapshormonen. Meestal is dit goed te behandelen met dieetaanpassingen, maar soms is het nodig om tijdens de zwangerschap insuline te spuiten.
Door de zwangerschapshormonen gaat bij sommige vrouwen de bloedsuikerspiegel te ver omhoog. Zwangerschapsdiabetes kan beginnen vanaf de 24e week van de zwangerschap. Na de zwangerschap is het weer over.

Klachten

Veel vrouwen met zwangerschapsdiabetes merken daar niets van. Daarom krijgen alle vrouwen die een grotere kans hebben op zwangerschapsdiabetes tussen de 24e en 28e week van hun zwangerschap een glucose-tolerantietest (OGTT). Daarmee kan de verloskundige zien of je zwangerschapsdiabetes hebt. Moet je na de 24e week van je zwangerschap ineens veel plassen en heb je enorm veel dorst, vraag dan ook om een test. Veel plassen en dorst zijn namelijk twee belangrijke klachten van diabetes.

Grotere kans op zwangerschapsdiabetes

Een groter risico op zwangerschapsdiabetes ontstaat in de volgende gevallen:

  • je hebt overgewicht;
  • je moeder, vader, broer en/of zus hebben diabetes;
  • je hebt eerder zwangerschapsdiabetes gehad;
  • tijdens een eerdere zwangerschap is de baby voor de geboorte in de baarmoeder gestorven;
  • tijdens een eerdere zwangerschap had je te veel vruchtwater;
  • je hebt eerder een kind gekregen met een geboortegewicht van meer dan 4 kilo;
  • je komt uit een land waar zwangerschapsdiabetes vaker voorkomt: landen in Zuid-Azië en landen rond de Middellandse Zee.

Risico`s

Hoe eerder zwangerschapsdiabetes ontdekt en behandeld wordt, hoe beter. Als zwangerschapsdiabetes niet of te laat wordt behandeld, brengt het ernstige risico`s met zich mee:

  • Door de hoge bloedsuikerspiegel (hyperglycemie) krijgt de baby te veel suiker binnen. De baby groeit daardoor te snel en wordt te zwaar. De kans op problemen bij de bevalling, zoals keizersnede, letsel aan het geboortekanaal of klem zitten van de schouders van de baby is daardoor groter.
  • Kans op te lage bloedsuikerspiegels van de baby na de geboorte.
  • Heb je zwangerschapsdiabetes gehad, dan is de kans groter dat je later in je leven diabetes type 2 krijgt.

Behandeling

De behandeling van zwangerschapsdiabetes bestaat uit aanpassingen in je voeding. De verloskundige verwijst je bij een afwijkende suikertest (OGTT) naar een gynaecoloog en een internist. Als de dieet-aanpassingen niet voldoende zijn, moet je tijdelijk insuline gaan spuiten. Zolang de diabetes met een dieet wordt gereguleerd, word je gecontroleerd door de verloskundige en vindt er twee keer een groeiecho plaats bij de gynaecoloog. Pas bij een behandeling met insuline volgt overname van de controles door de gynaecoloog. Bij insulinegebruik zal de bevalling bij 38 weken zwangerschapsduur worden ingeleid.

Controle

De diabetes wordt gecontroleerd door de internist en de diabetesverpleegkundige.

GBS en zwangerschap

Streptokokken zijn bacteriën, ze zijn alleen zichtbaar onder de microscoop. Er bestaan verschillende soorten streptokokken; de ‘groep B streptokok’ is er een van. Deze streptokokken worden meestal ‘GBS’ genoemd. Zwangere vrouwen hebben deze GBS-bacterie soms in de vagina (schede). Dat kan meestal geen kwaad, jij wordt niet ziek, maar er is een kleine kans dat een baby ernstig ziek wordt door een infectie met deze bacterie. Die infectie heet de ‘groep B streptokokkenziekte’ (GBS-ziekte). Deze ziekte kan meestal goed worden behandeld met een antibioticum.

In Nederland is circa 20% van alle zwangeren draagster van GBS, groep B streptokokken. Naar schatting zal gemiddeld 50% van alle kinderen, van wie de moeder GBS-draagster is, tijdens de geboorte besmet raken. Ongeveer 1% van de besmette pasgeborenen wordt daadwerkelijk ziek.

Kinderen kunnen al in de baarmoeder besmet worden met GBS. Dit kan ook tijdens de bevalling of na de geboorte gebeuren. Een besmetting wil zeggen dat het kind in aanraking komt met de streptokokken. De bacteriën zitten op de huid en slijmvliezen van de baby. Dan is er nog geen sprake van infectie. Het kind raakt pas geïnfecteerd (en dus ziek) als de bacteriën het lichaam binnendringen.

Factoren waarbij er een verhoogde kans is op besmetting van een kind met GBS:

  • vroeggeboorte (< 37 weken);
  • langdurig gebroken vliezen (> 18-24 uur);
  • koorts bij de moeder tijdens de baring (> 38ºC, rectaal gemeten);
  • urineweginfectie door GBS met of zonder klachten, GBS in de urine hoeft geen klachten te geven;
  • de moeder heeft eerder al een kindje gehad dat na de geboorte ziek werd door GBS.

Behandeling en bevalling

Onderzoek naar GBS wordt in Nederland niet standaard bij elke zwangere gedaan. GBS komt immers maar bij één op de vijf zwangeren voor en heeft maar zeer zelden gevolgen. In bepaalde situaties is het wel verstandig om onderzoek te doen, bijvoorbeeld als een zwangere in het ziekenhuis is opgenomen vanwege voortijdige weeën of te vroeg gebroken vliezen.

De GBS zijn aan te tonen met een kweek. De verpleegkundige strijkt daarvoor met een wattenstokje langs de ingang van de vagina en in de endeldarm. Zo haalt ze wat materiaal weg, dat in een laboratorium wordt onderzocht. De uitslag is meestal na twee tot drie dagen bekend. Zit de GBS ook in de urine, dan draag je meer bacteriën bij je, zodat de kans op besmetting van het kind groter wordt.
Heb je eerder al een ziek kindje gehad door GBS, dan kom je na de 36 weken zwangerschap onder controle bij de gynaecoloog. Je bevalt in het ziekenhuis en krijgt antibiotica tijdens de bevalling.

Geen ziek kind door GBS in de voorgeschiedenis, dan is het beleid als volgt:

  • controle zwangerschap en bevalling (partus) door de verloskundige;
  • bij 35-37 weken wordt een vaginakweek afgenomen op GBS;
  • als de kweek positief is, dan zal ook je urine op kweek worden gezet. Als de kweek van de urine ook positief is voor GBS, dan moet je bevallen in het ziekenhuis omdat je uit voorzorg tijdens de bevalling antibiotica krijgt.

Ziek kind door GBS in de voorgeschiedenis, dan ziet het beleid er zo uit:

  • je krijgt antibiotica tijdens de bevalling in het ziekenhuis;
  • zwangerschapscontroles tot 36 weken bij de verloskundige in eerste lijn, daarna overname zorg door de gynaecoloog die ook verantwoordelijk is tijdens de bevalling.

Het is ook mogelijk dat je tijdens de bevalling wordt verwezen voor een ziekenhuisbevalling met antibiotica omdat je te vroeg (voor 37 weken) gaat bevallen of omdat je langer dan 18 uur gebroken vliezen hebt zonder goede weeën of omdat je tijdens de bevalling koorts ontwikkelt.

Na de geboorte

Als je tijdens de bevalling antibiotica hebt gehad en jouw kindje heeft geen tekenen van een infectie dan blijven jullie samen op de kraamafdeling. We letten bij het kindje dan extra op de symptomen.

Een ziek kind ademt vaak zacht kreunend of snel en oppervlakkig. Soms houdt het ademen even op. De kleur van de huid is niet mooi roze maar grauw, blauw of bleek. De baby kan slap aanvoelen en suf zijn. Soms reageert de baby erg sterk op prikkels, zoals aanraking. De meeste baby’s die geïnfecteerd zijn met GBS worden meteen ziek, op dezelfde dag. Een zieke baby wordt opgenomen en krijgt een infuus met antibiotica.

Ben je heel snel bevallen en heb je de antibiotica onvoldoende of niet gehad?

  • Je kind vertoont geen tekenen van een infectie en je bent bevallen voor 35 weken zwangerschap: de baby wordt opgenomen op de kinderafdeling en krijgt een infuus met antibiotica. De kinderarts bepaalt hoe lang de baby antibiotica moet krijgen.
  • Ben je bevallen na 35 weken zwangerschap, dan worden jij en de baby voor minimaal 24 uur op de kraamafdeling opgenomen en zal de baby geobserveerd worden op infectieverschijnselen

Stuitligging

Sommige kinderen liggen tegen het einde van de zwangerschap in stuitligging: met de billen naar beneden en het hoofd omhoog. Vroeg in de zwangerschap is een stuitligging heel gewoon maar tegen het eind van de zwangerschap ligt het kind normaal gesproken met het hoofd naar beneden.

Meestal is het onduidelijk waarom een kind aan het eind van de zwangerschap nog steeds in stuitligging ligt. Er zijn wel enkele situaties waarin de kans op een stuitligging verhoogd is:

  • als je zwanger bent van een meerling;
  • als de baarmoeder of het bekken een afwijkende vorm heeft;
  • als de placenta of een vleesboom voor de uitgang van de baarmoeder ligt;
  • bij aangeboren afwijkingen van het kind.

Als je kind bij een zwangerschapsduur van 35 weken nog in een stuitligging ligt, kan de gynaecoloog of verloskundige proberen de baby te draaien (versie). Bij een stuitligging aan het einde van de zwangerschap kun je kiezen tussen een keizersnee of een vaginale baring. Een kind in stuitligging kan meestal gewoon vaginaal ter wereld komen. De billen of de voetjes van de baby verschijnen dan als eerste. In Nederland hebben de gynaecologen een aantal voorwaarden afgesproken waaronder een gewone, vaginale bevalling verantwoord is, ook bij een stuitligging.

Wat is een stuitligging

Dit is een lengteligging waarbij het stuitje en/of de voeten onderin de baarmoeder liggen. Er zijn verschillende stuitliggingen:

  • onvolkomen stuitligging: als het stuitje beneden ligt met de benen langs het lichaam omhoog;
  • volkomen stuitligging: als het stuitje en de voetjes beneden zitten met opgetrokken beentjes;
  • half (on)volkomen stuitligging: als één van de benen langs het lichaam ligt en de andere opgetrokken met de voet naast de stuit;
  • voetligging: voetligging is ook mogelijk, dan liggen de voetjes onder de stuit.

Bij een zwangerschapsduur van 20 tot 25 weken ligt 30 tot 40% van de kinderen in stuitligging. Rond de 32 weken ligt nog 10 tot 15% van de kinderen met het hoofdje bovenin, terwijl dit percentage rond de uitgerekende datum is gedaald naar 3 tot 4%.

Verwijzing gynaecoloog

Wanneer je kind in stuitligging ligt, word je bij een zwangerschapsduur van 35-36 weken verwezen naar de gynaecoloog. Met een echo wordt beoordeeld of er een aanwijsbare oorzaak voor de ligging is en het gewicht van het kind wordt geschat. Als het kind nog niet in het bekken is ingedaald, volgt een afspraak voor een poging tot 'versie'. Er zal dan geprobeerd worden het kind naar hoofdligging te draaien. Lukt de versie niet, dan ga je bevallen van een kind in stuitligging.

De vaginale bevalling bij een stuitligging

Een stuitbevalling lijkt in veel opzichten op een bevalling van een kind in hoofdligging. Er zijn ook drie fasen: de ontsluiting, het persen en de periode na de geboorte.
Het persen zelf gaat hetzelfde als bij een kind in hoofdligging. Bij een kind in onvolkomen stuitligging, met de benen omhoog, worden eerst de billen geboren, daarna de rest van het lichaam en de armen, en tot slot het hoofd. De geboorte van een kind in volkomen stuitligging verloopt hetzelfde, maar dan worden eerst een of twee benen geboren. Daarna volgt het lichaam en tot slot het hoofdje. De kans op complicaties voor de moeder is bij een bevalling in stuitligging niet groter dan bij een bevalling in hoofdligging. Wel is er meer kans dat de gynaecoloog tijdens de bevalling besluit tot een keizersnede.

Risico`s voor het kind

Kinderen in stuitligging die gewoon (vaginaal) worden geboren, worden vaker kort na de geboorte op de couveuse-afdeling opgenomen dan kinderen die geboren worden na een keizersnede. De redenen daarvoor zijn divers. Soms heeft het kind na de geboorte behoefte aan extra zuurstof of ademhalingsondersteuning. Soms ontstaat er een beschadiging bij de geboorte, zoals een botbreuk, een zenuwbeschadiging of een hersenbloeding. Dit komt slechts zelden voor (bij ongeveer 1% van alle kinderen in stuitligging).

Op de lange termijn is er geen verschil tussen kinderen in stuitligging die via een keizersnede zijn geboren en die vaginaal zijn geboren. Hun ontwikkeling verloopt hetzelfde en er is geen grotere kans op sterfte. Uit onderzoek onder tweejarige kinderen blijkt dat de gezondheid van kinderen die in een couveuse hebben gelegen niet verschilt van kinderen die niet in een couveuse hebben gelegen.

De keizersnede bij een stuitligging

De kans op ernstige complicaties door een keizersnede is voor gezonde zwangeren heel erg klein, maar toch altijd groter dan na een gewone bevalling. Gevolgen van de keizersnede kunnen zijn:

  • nabloeding in de buik;
  • bloeduitstorting of wondinfectie;
  • beschadiging van de blaas of darmen die niet goed op gang komen;
  • grotere kans op blaasontsteking

Mogelijke complicaties bij het kind

Een enkele keer is het moeilijk om een kind in stuitligging via een keizersnede uit de baarmoeder te halen, en kan een (zenuw)beschadiging optreden. Soms moet de keizersnede erg vroeg in de zwangerschap worden gepland om een spontane bevalling te voorkomen. Dan kan het kind longproblemen krijgen, waarvoor opname op de couveuse-afdeling noodzakelijk is. Daarom doet men bij een stuitligging in principe geen keizersnede voor 38 weken zwangerschapsduur.

Na de keizersnede

Een keizersnede veroorzaakt een litteken in de baarmoeder. Dit is een nadeel bij een volgende bevalling. Je krijgt na een keizersnede het advies om bij een volgende zwangerschap in het ziekenhuis te bevallen omdat het litteken een verhoogde kans op complicaties tijdens een volgende bevalling met zich meebrengt. Het litteken kan bijvoorbeeld openscheuren, de placenta kan voor de opening liggen of de placenta kan heel vast met de baarmoeder vergroeid zijn, wat veel meer bloedverlies na de bevalling geeft.

Het maken van een keuze

Aan het einde van de zwangerschap zal de gynaecoloog met jou en je partner bespreken of een gewone bevalling veilig is, of dat het beter is een keizersnede te doen. De gynaecoloog geeft advies bij een stuitligging. Veel vrouwen kunnen zelf kiezen tussen een keizersnede of een vaginale bevalling. Een voorwaarde is wel dat de gynaecoloog die de vaginale bevalling zal begeleiden, dit ook verantwoord vindt.

Als je als aanstaande ouders kunt kiezen tussen een gewone bevalling of een keizersnede, is het belangrijk dat je alle argumenten zo goed mogelijk op een rij zet. Veel ouders denken dat de keizersnede de veiligste manier is, maar een keizersnede heeft ook nadelen.

Voor- en nadelen van een gewone bevalling

Voordelen:

  • natuurlijke, spontane bevalling;
  • geen nadelen van een operatie;
  • kortere ziekenhuis opname;
  • sneller herstel.

Nadeel:

  • Iets grotere kans op problemen bij het kind kort na de geboorte.

Voor- en nadelen van een keizersnede

Voordeel:

  • Iets minder kans op problemen bij het kind kort na de geboorte.

Nadelen:

  • langere ziekenhuis opname;
  • langzamer herstel;
  • hogere kans op complicaties voor de moeder;
  • geen thuisbevalling meer mogelijk;
  • iets hogere kans op complicaties tijdens een volgende bevalling.

Tot slot

Een kind in stuitligging geeft meestal aanleiding tot veel vragen, twijfels en zorgen. Bespreek ze met je gynaecoloog.

Meerlingen

Een zwangerschap van meer dan 1 kind is voor de aanstaande ouders meestal een verrassing. Naast blijdschap zijn er ook veel vragen. Meerlingen ontstaan meestal na de bevruchting van meerdere eicellen. Twee eicellen geeft een tweeling, drie eicellen geeft een drieling. Men spreekt van een twee-eiige of drie-eiige meerling. Dit geldt voor ongeveer tweederde van alle meerlingen. Een tweeling kan ook ontstaan uit 1 bevruchte eicel die zich deelt in 2 kinderen, men spreekt dan van een eeneiige tweeling en dat geldt voor eenderde van alle meerlingen.

De kans op een tweeling neemt toe met de leeftijd van de vrouw. Bij een twee-eiige tweeling speelt erfelijkheid een rol via de familie van de vrouw. De meeste meerlingen ontstaan door behandelingen om tot een zwangerschap te komen.

Tegenwoordig wordt een tweeling vroeg in de zwangerschap ontdekt door echoscopisch onderzoek. Soms wordt een tweeling ontdekt bij zeven weken, maar groeit slechts één van de vruchtjes door. Het niet groeiende vruchtje wordt door het lichaam opgeruimd en soms geeft dit bloedverlies. Bij de bevalling is er niets meer van het vruchtje terug te vinden.

Vruchtwater, vliezen en vruchtzak

In de baarmoeder bevindt zich rond het vruchtwater een vruchtzak die bestaat uit 2 vliezen, een dun binnenste vlies, het amnion, en een dikker buitenste vlies, het chorion.

Soorten tweelingen

- Dichoriale-diamniotische tweeling
Bij twee-eiige tweelingen zitten er altijd twee vruchtvliezen rond ieder kind. Het tussenschot tussen het vruchtwater van de beide kinderen bestaat dus uit 4 vliezen.

- Monochoriale-diamniotisch tweeling
Bij een-eiige tweelingen is het mogelijk dat er maar één buitenvlies aanwezig is, het tussenschot bestaat dan uit twee dunne vliezen. Kinderen liggen in een eigen vruchtzak.

- Monochoriale-monoamniotische tweeling
Er is geen tussenschot en beide kinderen liggen in één vruchtholte en delen één vruchtzak. Dit komt zelden voor, bij 1% van de eeneiige zwangerschappen.

Vroeg in de zwangerschap kan men bij echoscopisch onderzoek een goede indruk krijgen van de dikte van het tussenschot. Dit is van belang omdat de kans op complicaties bij een monochoriale tweeling groter is.

Een- of twee-eiig?

Twee kinderen met een verschillend geslacht zijn altijd twee-eiig. Twee kinderen van hetzelfde geslacht met ieder twee vruchtvliezen kunnen zowel een- als twee-eiig zijn. Bij slechts één vlies is er altijd sprake van een eeneiige tweeling.
Als na de geboorte onduidelijk is of het een een- of twee-eiige tweeling betreft, kan soms het bloed van beide navelstrengen worden onderzocht op bloedgroep en rhesusfactor. Verschillen deze, dan is de tweeling in elk geval twee-eiig. Zijn ze hetzelfde, dan is de kans heel erg groot dat het om een eeneiige tweeling gaat.

Zwangerschap meerling

Een meerling zwangerschap vergt meer van de vrouw dan een eenling zwangerschap:

  • meer misselijk, braken en moe in het begin van de zwangerschap;
  • meer harde buiken;
  • grotere kans op zwangerschapsstrepen (striae);
  • kortere zwangerschapsduur, tweeling 37 weken, drieling 34 weken;
  • meer kans op complicaties als vroeggeboorte, achter blijven in groei en voor moeder meer kans op hoge bloeddruk en bloedarmoede.

Ben je zwanger van een meerling, dan ben je onder controle van een gynaecoloog. Er vinden vaker controles plaats dan bij een zwangerschap van één kind. Vanwege de grotere kans op bloedarmoede krijg je ijzertabletten en extra foliumzuur. Om de groei van de kinderen te beoordelen vindt regelmatig echoscopisch onderzoek plaats. Bij dit echo-onderzoek wordt er naar het tussenschot gekeken. Er vinden regelmatig groei-echo`s plaats en Doppler onderzoek van navelstreng om de functie van de moederkoek te testen. Ook de lengte van de baarmoedermond wordt gemeten om vroeggeboorte te voorspellen. Bij een monochoriale tweeling vindt uitgebreid echo-onderzoek plaats i.v.m. een verhoogde kans op aangeboren afwijkingen.

Advies aan tweeling zwangere

Bij een meerlingzwangerschap geldt, net als bij een eenling, dat je over het algemeen alles kunt blijven doen wat je ook deed toen je niet zwanger was. Het is belangrijk dat je goed voor jezelf zorgt en naar je lichaam luistert. Bedenk dat je bij een meerlingzwangerschap sneller dan bij een eenling sommige dingen niet meer zult kunnen doen als gevolg van moeheid, klachten of de grote buik die hinderlijk wordt.

De gynaecoloog bespreekt met je of het verstandig is om rond 28 weken zwangerschap activiteiten als werk buitenshuis aan te passen of te stoppen. Heb je een druk gezin met andere (kleine) kinderen, overweeg dan extra hulp in te schakelen tegen het einde van de zwangerschap, omdat je vaak zelf weinig meer aankunt.

Complicaties

De belangrijkste complicaties bij een meerlingzwangerschap zijn:

  • Vroeggeboorte; hoe meer kinderen, hoe groter de kans dat ze te vroeg geboren worden;
  • Achterblijven in groei; soms betekent dat een opname in het ziekenhuis. De conditie van de kinderen wordt in dat geval frequent gecontroleerd met een CTG (harttonen) wekelijks Doppler onderzoek en groeiecho`s;
  • Hoge bloeddruk in de tweede helft van de zwangerschap;
  • Een speciale complicatie van een monochoriale tweeling is het transfuseur-transfusé-syndroom, ook wel ‘twin-to twin’-transfusiesyndroom genoemd (TTS). Hierbij zijn er bloedvatverbindingen tussen de twee delen van de moederkoek die elk kind van bloed voorzien. Daarbij kan een situatie ontstaan dat er meer bloed van het ene kind naar het andere kind gaat dan andersom. Het kind dat bloed ‘weggeeft’ (de transfuseur) krijgt bloedarmoede en groeit daardoor vaak minder goed. Er gaat minder bloed naar de nieren waardoor het kind minder plast en dit kind krijgt minder vruchtwater. Het kind dat extra bloed krijgt (de transfusé) heeft ook problemen want het hart kan het niet goed aan om dit extra bloed rond te pompen, met als gevolg dat zich vocht ophoopt in het lichaam. Dit kind gaat meer plassen en daardoor neemt het vruchtwater toe, wat een extra snelle groei van de baarmoeder veroorzaakt. Soms merkt de zwangere dit doordat de buik enorm gespannen aanvoelt. Deze te snelle groei kan aanleiding zijn voor een vroeggeboorte. Soms kan een van de kinderen overlijden. Gelukkig komt een TTS weinig voor. Als de gynaecoloog denkt aan een TTS, bijvoorbeeld omdat bij echoscopisch onderzoek blijkt dat het gaat om een monochoriale tweeling met ook nog een groot verschil in vruchtwater tussen de twee kinderen, krijg je vaak een verwijzing naar een speciaal spreekuur in een academisch of ander groot ziekenhuis voor verdere begeleiding van de zwangerschap. Het is nog niet duidelijk wat de beste behandeling voor TTS is. Door een laserbehandeling kunnen de verbindende bloedvaten dichtgemaakt worden. Een andere manier is vruchtwater te laten aflopen. Bij alle behandelingen blijft de uitkomst van een zwangerschap met een TTS vaak zorgelijk. De gynaecoloog kan je meer informatie hierover geven.

De bevalling

Bij een tweelingzwangerschap kun je in principe normaal bevallen. Bij 80% van de tweelingen ligt het eerste kind met het hoofd naar beneden, bij 60% liggen beide kinderen in hoofdligging. Ze kunnen ook allebei in stuitligging liggen, of de eerste in stuit- en de tweede in hoofdligging. In deze laatste situaties bespreekt de gynaecoloog met je of een normale bevalling verantwoord is of dat beter een keizersnede uitgevoerd kan worden.

De bevalling van een drieling verschilt per ziekenhuis en gebeurt soms normaal, soms per keizersnede. Bij een vierling-zwangerschap wordt vrijwel altijd voor een keizersnede gekozen.

Vanwege de grote uitzetting van de baarmoeder bij meerlingzwangerschappen zijn de weeën niet krachtig genoeg en krijg je tijdens de bevalling vaak een infuus met medicatie (oxytocine) om dit te verbeteren. Dit medicijn is ook belangrijk om na de bevalling de uitgerekte baarmoeder goed te laten samentrekken en overvloedig bloedverlies te voorkomen.

Kraambed

Als de kinderen niet te vroeg geboren zijn of een te laag geboortegewicht hebben kun je na een vaginale bevalling van een tweeling de kraamperiode thuis doorbrengen. Als je kraamhulp aanvraagt, geef dan al aan dat je een meerling verwacht. Je hebt vaak uitgebreide kraamhulp nodig, bespreek de mogelijkheden met je zorgverzekeraar. Bij opname op de kinderafdeling van een of meer kinderen geven de meeste moeders er de voorkeur aan om de kraamperiode in het ziekenhuis te blijven om zo dicht mogelijk bij de kinderen te zijn. Informeer bij je ziektekostenverzekering hoe lang je in het ziekenhuis mag verblijven. Zorg voor een schriftelijke bevestiging hiervan.

Borstvoeding

Ook een meerling kan borstvoeding krijgen. Als de kinderen zijn opgenomen op de kinderafdeling, kun je ze als ze sterk genoeg zijn aanleggen of de borstvoeding afkolven. Het ziekenhuis beschikt over een lactatiekundige die je hierbij kan ondersteunen.

Antidepressiva

Je bent zwanger en gebruikt antidepressiva? Dan is het belangrijk om af te wegen wat beter is voor de zwangerschap: stoppen of doorgaan met de medicatie. Het gaat hierbij om de SSRI-soorten (selective serotonin re-uptake inhibitor):

  • Paroxetine (Seroxat)
  • Fluoxetine ( Prozac)
  • Fluvoxamine (Fevarin)
  • Citalopram (Cipramil)
  • Sertraline (Zoloft)
  • Venlafaxine (Efexor)

Angst en depressieve klachten kunnen een negatief effect hebben op het beloop van de zwangerschap, er is een iets verhoogd risico op vroeggeboorte met een te klein kindje. Samen met je behandelaar moet je een risico-inschatting maken op het ontstaan van psychische problemen tijdens de zwangerschap. Het is dan beter om de medicatie tijdens de zwangerschap door te blijven gebruiken, in een zo laag mogelijke dosering.

Risico's voor de zwangerschap

Er is geen verhoogd risico op een miskraam. Er zijn geen risico's op complicaties in de zwangerschap of bij de bevalling door gebruik van SSRI. Het is niet nodig om de zwangerschapscontroles in het ziekenhuis te laten doen, dit mag ook bij je eigen verloskundige.
Gebruik je Paroxetine? Dit geeft een verhoogd risico op aangeboren afwijkingen, daarom is de aanbevolen dosering niet hoger dan 20-25 mg per dag.
In de zwangerschap kun je eraan denken om een signaleringsplan te schrijven, waarin je opschrijft hoe de omgeving aan jou kan merken of het goed of minder goed met je gaat.

Risico's voor de baby

Er zijn aanwijzingen dat SSRI-gebruik in de zwangerschap:

  • een iets grotere kans heeft op een te klein kindje;
  • een grotere kans geeft op opname van je baby op de kinderafdeling direct na de geboorte;
  • een grotere kans geeft dat je baby symptomen toont van afkicken: trillingen, slap, hoog huilen, moeite met ademhalen en/of niet kunnen slapen.

Dit komt bij 25 tot 30% van de kinderen voor. De afkickverschijnselen ontwikkelen zich meestal binnen de eerste twee dagen na de geboorte. Ze zijn zonder behandeling meestal binnen 14 dagen verdwenen. Als je baby te vroeg is geboren, is dat een extra risicofactor voor het ontwikkelen van afkickverschijnselen.
Er is geen verhoogde kans op een vroeggeboorte of serotiniteit (duur zwangerschap 42 weken) bij het gebruik van SSRI in de zwangerschap.

Bevalling

De verloskundige of gynaecoloog informeert je over de risico's van je medicatiegebruik. Je mag niet thuis bevallen maar wel poliklinisch onder begeleiding van je eigen verloskundige.

Na de bevalling

Vanwege de bovengenoemde risico's wordt je baby na de geboorte minimaal 24 uur geobserveerd onder de verantwoordelijkheid van de kinderarts. Deze observatie houdt in dat voor elke voeding de temperatuur, pols en ademhaling worden gecontroleerd. Deze controles en eventuele bijzonderheden worden genoteerd en zo nodig gemeld aan de kinderarts. In principe lig je samen met je kindje op de kraamafdeling.

Mocht tijdens de observatieperiode om een of andere reden opname op de afdeling Neonatologie noodzakelijk blijken, dan worden aldaar de controles voortgezet.

Gebruik je meerdere soorten antidepressiva of een combinatie van medicijnen? Dan vindt de bevalling plaats onder verantwoording van de gynaecoloog. De baby wordt na de geboorte ter observatie op de afdeling Neonatologie opgenomen.

Advies ten aanzien van borstvoeding

Je kan gewoon borstvoeding geven als je de volgende medicatie gebruikt: Paroxetine, Sertraline en Fluvoxamine.

Afhankelijk van de doseringen wordt borstvoeding soms afgeraden bij: Citalopram, Fluoxetine en Venlafaxine.
Overleg wel altijd met je verloskundige of gynaecoloog.

Preconceptioneel advies

Een eventuele volgende zwangerschap is misschien niet iets waar je net na de bevalling aan denkt. Toch kan het een onderwerp zijn om op een later moment nog eens over door te praten. Dit kan tijdens een preconceptioneel advies consult. Deze mogelijkheid is er voor mensen die zo gezond en goed voorbereid mogelijk hun zwangerschap willen starten. Een preconceptioneel advies consult is extra belangrijk als je een (chronische) ziekte hebt zoals epilepsie of diabetes. Maar ook als de vorige zwangerschap of bevalling moeilijk is verlopen. Je kan zowel bij de verloskundige als gynaecoloog terecht voor een preconceptioneel gesprek.

Preconceptioneel advies consult

Preconceptioneel betekent vóór (pre) de bevruchting (conceptie). De afspraak vindt plaats vóór de zwangerschap Er wordt advies gegeven over leefstijl, voeding, wat de eventuele aandoening betekent voor een zwangerschap en wat daarover is te verwachten.

Ook kijken we:

  • of de medicijnen die je gebruikt schadelijk zijn in de zwangerschap
  • of dat er nog andere zaken onderzocht of geregeld moeten worden voordat je veilig zwanger kunt worden
  • terug op je vorige zwangerschap en bevalling om, als het nodig is, afspraken te maken n om bepaalde complicaties te voorkomen

Samen kijken we dus wat voor jou het beste is vóór, in of tijdens de zwangerschap, en hoe je je hierop het beste kunt voorbereiden. Zo dat jij zo gezond mogelijk aan een (nieuwe) zwangerschap kan beginnen.

https://www.geldersevallei.nl/patient/behandelingen/preconceptioneel-advies